logo ars floreat header filosofen

 

 

 

 

Home

 

Downloads

 

Sitemap

 

next

 

Dood en sterven - Sri Shantananda Sarasvati

 

Het individu is een deel van het Absolute.
Daarom is het individu in wezen eeuwig.
Het individu is in wezen alle kennis, alle vreugde.
Maar zie hoe Eeuwigheid de dood vreest!
Zie hoe kennis alle Kennis ontbeert!
Zie hoe vreugde alle Vreugde mist!

 

In feite is het Zelf van de mens, dat in het lichaam aanwezig is en er woont, onsterfelijk. Het geeft een oud lichaam op om een nieuw lichaam aan te nemen. Precies zoals we onze oude kleren wegdoen en nieuwe aantrekken. Als we het fijn vinden om oude kleren weg te doen en nieuwe aan te trekken, dan is er geen enkele reden om ongelukkig te zijn wanneer het Zelf een oud lichaam afdankt en een nieuw lichaam aanneemt.

 

*

 

Een Indiër ging naar Afrika. Toen zijn geld op was, ging hij naar een geldschieter voor een lening. Op dat moment was er juist iemand overleden bij een Indiase familie in de buurt, en de familieleden jammerden en huilden. De geldschieter vroeg de Indiër waarom zijn landgenoten in dat huis zo jammerden. Hij antwoordde dat het in zijn land een gewoonte was om luid te jammeren en te wenen wanneer er een dode in de familie te betreuren viel. Daarop vroeg de geldschieter: ‘En wat doen jullie dan bij een geboorte?’. De Indiër antwoordde dat men dan erg blij was. Daarop antwoordde de geldschieter: ‘Als jullie tot degenen behoren die blij zijn als je iets ontvangt, maar treuren wanneer je het weer terug moet geven, dan zal ik je zeker geen geld lenen!’

 

*

 

Wat is de wereld? Wat is waarheid? Wat bent u? Dat willen we allemaal weten. U bent ‘Sat-Chit-Ananda’, dat wil zeggen: tijdloze werkelijkheid, vol kracht, vol gelukzaligheid. Maar hoe kan dat? Denk maar eens na of u enige herinnering heeft aan hoe en wanneer u geboren werd. U herinnert u de datum en het tijdstip van uw geboorte alleen maar door wat anderen u verteld hebben. Zelf hebt u het tijdstip van geboorte helemaal niet ervaren. Neem dan maar aan dat u helemaal niet geboren bent. En wat niet geboren is, kan ook niet sterven. U bent dus ongeboren en zonder dood. U bent ‘Sat-Chit-Ananda’. Er bestaat niet zoiets als geboorte en dood. Het is als een toneelstuk; dood wordt gespeeld, geboorte wordt gespeeld. Maar in feite is er geen geboorte en geen dood. Als de Atman sterft, hoe zou die de dood dan voelen? Geboorte en dood hebben betrekking op het lichaam, niet op de mens Zelf.

 

*

 

Veel mensen zeggen dat er geen wedergeboorte is. Maar iedere geboorte draagt het doods-lot in zich en iedere dood schrijft het lot van de geboorte. De Bhagavad Gita zegt dat er geboorte noch dood is, maar veeleer een cirkelgang van verandering, een schijnbare verandering die steeds maar doorgaat. Wie het onveranderlijke ziet in de voortdurende verandering heeft het juiste eind te pakken. Het lichaam wordt geboren en sterft. De Atman woont in het lichaam maar is zelf niet onderhevig aan geboorte of dood. Het is genoeg om dit te weten.

 

*

 

De hele schepping bestaat uit twee dominante factoren die materie en bewustzijn worden genoemd. De materiële wereld bestaat dankzij bewustzijn, maar bewustzijn kan uitsluitend tot manifestatie komen dankzij materie. Ze ondersteunen elkaar. Op basis van deze twee factoren komt de hele schepping tot een afgewogen manifestatie en wanneer die zijn doel heeft vervuld, keert hij terug tot zijn oorzaak. Dit wordt de wet van oorzaak en gevolg genoemd. Iedere oorzaak brengt het resultaat voort dat erin besloten ligt, en ieder resultaat verbergt zijn eigen oorzaak in zich. Achter de wet van oorzaak en gevolg liggen twee staten. De ene is de ware staat, waarin alleen het bewustzijn wordt ervaren, en dat resulteert in gelukzaligheid. De andere is de ‘Laya’ staat, waarin de vormen stil zijn en niets kunnen ervaren. Deze twee staten worden Turiya en Laya genoemd. De substantie van de schepping beweegt zich tussen Turiya en Laya, en alle waarneembare vormen komen hiertussen tot manifestatie. Dit tussengebied is de stroom van de schepping in de eeuwigheid. Deze eeuwigheid is Eén. Op deze onderliggende draad van eeuwigheid spint het bewustzijn vele vormen, door verandering. Het punt waar een verschijningsvorm, die qua substantie de eeuwigheid zelf is, naar buiten treedt, noemen we geboorte en het punt waar de vorm verandert, wordt dood genoemd. Wanneer men dit idee van geboorte en dood eenmaal begrijpt, wordt het gemakkelijk om ook het idee van wedergeboorte, dat op deze voortdurende beweging gebaseerd is, te begrijpen.

 

*

 

De directe communicatie op subtiel niveau tussen levenden en doden is zeker niet nodig en zelfs ongewenst. Het is ook onnodig en onnatuurlijk om de herinnering aan iemand uit de geest te bannen, in de hoop er zo los van te komen, of er zelfs allebei los van te komen. De herinnering aan de overledene is niet wederzijds, maar zal aanvankelijk nog heel levendig zijn. Dat komt door het verlies van de band met die persoon, terwijl er nog geen nieuwe banden voor in de plaats gekomen zijn. Maar dat blijft niet altijd zo. Na verloop van tijd zal de nagedachtenis wegebben en vervangen worden door andere herinneringen, die voortkomen uit nieuwe bindingen. Men moet dus niet proberen de herinnering weg te drukken, noch om die levend te houden. Dat is allebei onmogelijk.

 

*

 

Een tragedie heeft ook een positieve kant. Wanneer men in deze wereld komt, komt men uit een andere wereld. Wanneer men zijn leven in deze wereld geleefd heeft, moet men terugkeren naar die andere wereld. Vanuit het universele (Samashti) wordt men geboren in het individuele (Vyashti). Wanneer iemand sterft, keert hij terug tot de Vader en dat weerzien geeft vreugde, geen droefheid, want die mens keert terug tot de hoogste staat. Men moet dus geen verdriet voelen wanneer iemand overlijdt. Die mens keert terug tot de werkelijke Vader, ook al worden de tijdelijke en fysieke vader en moeder achtergelaten. We moeten onszelf troosten en onze aandacht richten op de echte Vader van allen, wiens gezin over de hele aarde verspreid is. Wanneer iemand teruggeroepen wordt, moeten we die persoon met blij gemoed laten gaan. Als we steeds maar aan hem blijven denken, vallen we hem lastig omdat hij een gehechtheid, een binding zal voelen door ons verdriet.

 

*

 

Op een dag werd een zekere Bali gedood door Rama. De vrouw van Bali, Tara genaamd, was erg bedroefd. Rama had de man niet willen doden, en hij wilde de vrouw geen verdriet aandoen. Dus wilde hij haar troosten. Hij vroeg haar wat haar zo bedroefd maakte. Wie had zij werkelijk lief? Wie was de man met wie zij verenigd wilde zijn? Was het de fysieke mens die zij liefhad, de subtiele mens, of de Atman zelf? Tara werd gedwongen na te denken. Rama zei dat als zij het fysieke lichaam, dat nog steeds voor haar lag, liefhad, zij het nog steeds lief kon hebben. Maar als zij de Atman van deze man liefhad, de Atman die zeker altijd en overal leeft, zag ze dan niet dat zijn Atman in haar Atman aanwezig was? Was er geen eenheid? Was ze hem vergeten? Tara begreep de vraag en de situatie waarin zij verkeerde. Ze antwoordde dat zij zeker de Atman liefhad en niet het lichaam. Met deze erkenning kwam het begrip dat zij haar echtgenoot niet kwijt was geraakt, maar alleen het levende lichaam dat vroeg of laat toch zou moeten gaan.

 

*

 

De motiverende energie is liefde, die door de fysieke, subtiele en causale lichamen heenwerkt in verschillende lagen van fijnheid. De mens in onwetendheid is gebonden aan de grove niveaus in plaats van de fijne, en daardoor keert hij steeds weer terug naar de fysieke vorm, geboorte na geboorte. Dit hoort bij de regels en wetten van de natuur. Het gezelschap waarin men verkeert, is de omgeving waarin de natuur de mens terugbrengt. Wanneer iemand sterft in onwetendheid zal hij eerst naar het fijne gebied gaan, maar al snel terugkeren naar het grove niveau waaraan hij gewend was. De natuur dwingt die mens naar het grove niveau terug te keren en zo de prijs te betalen voor zijn behaaglijke gebondenheid. Dit is de cirkelgang die steeds doorgaat. Toch kan deze vicieuze cirkel van geboorte-dood-geboorte doorbroken worden.

 

*

 

Wanneer men gaat slapen, vergeet men alles met betrekking tot het fysieke lichaam en in feite leeft men dan alleen in de subtiele wereld van de geest. Toch is het niet zo dat men het fysieke lichaam geheel ‘verlaat’. Wanneer men ’s ochtends ontwaakt, neemt men de wereld van de fysieke elementen weer ter hand; men staat op en beweegt zich weer in die wereld. Op precies dezelfde wijze verlaat het subtiele lichaam na verloop van tijd het fysieke lichaam, terwijl het alle kennis en ervaring die het heeft opgedaan meeneemt, want zo is de aard van de subtiele wereld. De kennis en het subtiele lichaam blijven bij elkaar en worden elders weer opnieuw geboren, in een nieuwe fysieke vorm, waarin de combinatie van kennis en essentie die door alle levens heen is verzameld en opgebouwd, wordt voortgezet.

 

*

 

Op een keer onderbrak Koning Janaka zijn reis en ging slapen. In zijn slaap droomde hij dat hij een dorp inliep. Op het moment dat hij een huis in het dorp binnenliep, kwam er een hond van achteren op hem af en beet hem in zijn been. Er vloeide bloed uit de wond en het deed erg pijn. De mensen stroomden toe en er werd een dokter bijgehaald. De dokter haalde een zalf tevoorschijn en smeerde die op de wond. Maar de zalf was nogal bijtend, zodat de pijn alleen maar erger werd. De koning schreeuwde het uit van de pijn en daardoor ontwaakte hij uit zijn droom.
Toen hij wakker was geworden, bleek er geen dorp te zijn, geen mensen, geen hond en zelfs geen pijnlijk been! Hoe kan dit gebeuren? Waar kwam de hond vandaan? Wie riep de dokter? Wie riep de mensen bij elkaar en wie maakte het dorp? De enig mogelijke conclusie is dat het subtiele lichaam, de geest, zijn eigen wereld schept en een toneelstuk opvoert. Zo’n gedroomd drama komt voort uit de wensen die men koestert en die in het causale lichaam worden vastgehouden. Deze onvervulde wensen scheppen op de een of andere manier een droomwereld die de onvervulde wensen tot uitdrukking brengt. De ervaring van de droom is een bewijs van het bestaan van een subtiele en een causale wereld. Hetzelfde geldt in het leven en bij geboorte en dood. Op het moment van sterven kan het subtiele lichaam niet langer gebruik maken van het fysieke lichaam. Het subtiele lichaam verzamelt onmiddellijk alle ervaringen uit dat leven en springt over naar een nieuwe vorm. Zo springt het van lichaam naar lichaam. Alle ervaringen uit de verschillende belichamingen worden geregistreerd in de subtiele en causale lichamen. De Atman zelf sterft natuurlijk niet, noch wordt Hij geboren.

 

*

 

Iemand krijgt aan het eind van zijn leven ‘de geest’ in de vorm van een goede impuls, maar mist de energie en ook de tijd om zijn besluit te verwezenlijken. Moet die mens zich dan schuldig voelen? Nee, dat is niet nodig, want als zijn lichaam sterft, zal hij zeker in betere omstandigheden terugkeren om zijn eerdere besluit weer op te nemen.

 

*

 

Wanneer men in het gewone leven met een probleem bezig is en ermee gaat slapen, dan zal men na zes of zeven uur bij het ontwaken ontdekken dat hetzelfde probleem weer in de geest opduikt. Hetzelfde principe geldt bij transmigratie van de ziel. Wat bij de mens in zijn laatste momenten overheerst, zal weer opkomen wanneer hij een nieuwe belichaming aanneemt.

 

*

 

De regel is - en die wordt ook in de Bhagavad Gita vermeld - dat de gedachte die men koestert op het moment van doodgaan het volgende lichaam zal scheppen. Het is erg moeilijk om vlak voor de dood goede gedachten vast te houden als men zich niet geoefend heeft om altijd goede gedachten te hebben. Het laatste moment laat zich niet altijd beheersen. Dus moet een mens zich langzamerhand en stap voor stap oefenen om zuivere gedachten te hebben.

 

*

 

Op de dag dat men in deze wereld komt, ligt het vertrek eveneens vast. Het is zeker dat wie geboren wordt, vroeg of laat zal moeten gaan. Maar het is alleen het lichaam dat geboren wordt en dan weer oplost. De bewoner van het lichaam komt nergens vandaan en gaat nergens heen. Daarom is de enige voorbereiding zich volledig los te maken van het lichaam. Wanneer het fysieke lichaam oplost in de elementen, wordt het overleefd door de subtiele en causale lichamen, die wachten op de volgende ronde. Zij lossen alleen op bij de totale bevrijding. Daarom is de dood van het fysieke lichaam in feite niet zo belangrijk. Alle inspanning moet gericht zijn op de voorbereiding voor totale bevrijding. Om dat te bereiken moet men alert en wakker zijn, zodat het innerlijke orgaan van de geest (de Antahkarana) gezuiverd kan worden door kennis en meditatie. Wanneer alle belemmeringen weggenomen zijn en er geen beperkingen meer overblijven, zal het zogenaamde individuele bewustzijn opgaan in het universele bewustzijn. Dit is de enige gelegenheid die het waard is aangegrepen te worden en waar men uit alle macht naar moet streven. Dit is de enige werkelijke kans die niemand zou moeten missen.

 

*

 

Als men in staat is door te dringen in de diepere lagen van zichzelf door overweging, meditatie en reflectie, zal datgene wat als waarheid in de geest oprijst, de mens helpen om de vicieuze cirkel van geboorte en dood te doorbreken, door verlichting. Deze aandrang, dat verlangen om bevrijd te worden van geboorte en dood, wordt uitgedrukt in het volgende Vedische gebed:

 

Leid mij van illusie naar werkelijkheid
Leid mij van duisternis naar licht
Leid mij van dood naar onsterfelijkheid.

 

*

 

Voor Dood en sterven zie: Dood en sterven

 

Voor Geboorte, Dood en Gebed (inleiding) zie: Inleiding

 

Voor Geboorte, Dood en Gebed (boek) zie: Uitgaven

 

Zie ook: Goed Gezelschap (pdf)

 

 

footer e-mail & copyright