logo ars floreat header filosofen

 

 

 

 

Home

 

Downloads

 

Sitemap

 

next

 

Plato - Het geheel

 

Athener: Redelijkerwijs kunnen we onze jongeman ervan overtuigen dat alle dingen geordend zijn door Hem Die zorg draagt voor de hele schepping. Daarbij ontmoet ieder onderdeel dingen op zijn weg die met zijn natuur overeenkomen, en het vervult tevens de functie die hem past. Iedere handeling en ervaring, zelfs de geringste, staat onder leiding van bepaalde principes die ervoor zorgen dat ieder onderdeel van de schepping zijn functie volledig vervult. En een van deze onderdelen van het geheel zijt gij, hardleers mens, en ook gij streeft steeds naar het Al, hoe klein ge ook zijt. Maar juist dit zijt ge vergeten. Elk onderdeel van het geschapene is er terwille van het geheel, opdat alle leven gelukzalig moge zijn. Het geheel is niet ontstaan terwille van u, maar het is precies andersom: gij zijt er terwille van het geheel. Iedere dokter en iedere bekwame handwerksman werkt immers altijd terwille van het geheel en spant zich in voor wat voor het geheel het beste is. Hij bewerkt een deel terwille van het geheel, en niet het geheel terwille van een deel. Maar gij ergert u omdat ge niet weet dat wat voor het geheel het beste is, samengaat met wat voor u het beste is, omdat ge de kracht van dezelfde oorsprong met het geheel gemeen hebt. En omdat de geest altijd gebonden is aan steeds een ander lichaam en allerlei veranderingen ondergaat, uit zichzelf en door invloed van buiten, blijft er voor de Speler van dit spel geen andere taak over dan een verbeterd karakter te verplaatsen naar een betere plaats en een karakter dat slechter is geworden naar een slechtere plaats, alles in overeenstemming met de gegeven omstandigheden, zodat ieder het lot krijgt dat hem toekomt.

Kleinias: Hoe bedoelt ge dat?

Athener: Ik denk, dat wat ik beschrijf voor de goden de gemakkelijkste manier is om voor alle dingen te zorgen. Stel u voor dat de Schepper namelijk zonder steeds het geheel in het oog te houden ieder ding opnieuw zou moeten scheppen door van de ene substantie naar de andere te gaan, bijvoorbeeld van vuur naar water. Dat betekent dat Hij zou nalaten alles te vormen uit een en dezelfde substantie of anders de veelheid tot één substantie te reduceren. Dan zou de schepping één, twee, ja zelfs drie generaties meemaken en er zou door zo’n systeem van transformatie geen einde aan komen. Maar zoals het nu is, blijft het werk voor de behoeder van het heelal wonderlijk eenvoudig.

Kleinias: Dat volg ik niet.

Athener: Ik zal het uitleggen. Onze Koning zag dat alle handelingen bezield zijn en veel goeds en veel kwaads bevatten, en dat geest en lichaam na hun ontstaan weliswaar onverwoestbaar zijn maar niet in hun huidige vorm. Dat geldt volgens de universele wet trouwens ook voor de goden. Er zou immers geen sprake kunnen zijn van het ontstaan van levende wezens als de substanties van geest en lichaam vernietigd werden. Ook zag Hij dat het goede in de ziel altijd van nature geneigd is tot goed doen en het slechte tot kwaad doen. En omdat Hij dat allemaal inzag, gaf Hij ieder onderdeel ergens een plaats waar het zo goed en gemakkelijk mogelijk het goede in alles kan laten zegevieren en het kwade de nederlaag kan laten lijden. Tot dit doel heeft Hij bedacht hoe ieder ding moet zijn, welke positie Hij een bepaalde substantie moet geven en waar deze zich kunnen bevinden, maar de oorzaak voor het ontstaan van een bepaald karakter liet Hij over aan de wil van ieder van ons. Want overeenkomstig het soort verlangens en de aard die wij hebben, krijgt ieder steeds het karakter dat daar het dichtst bij komt.

Kleinias: Dat klinkt heel aannemelijk.

Athener: Alles wat deel uitmaakt van ons innerlijk, is aan verandering onderhevig omdat het de oorzaak voor verandering in zichzelf meedraagt, en al veranderend worden de dingen voortbewogen overeenkomstig de ordening en wetmatigheid van het lot. Hoe kleiner de verandering van karakter, hoe geringer de verandering van ons niveau in de schepping. Maar als de verandering groot is en gericht op onrechtvaardigheid, dan zakken de wezens af tot het laagste niveau, de zogenaamde onderwereld, de Hades – of hoe het verder mag heten – waar zij in grote vrees en vol boze dromen moeten verblijven, én als ze nog in leven zijn én nadat zij hun lichaam hebben verlaten. Een mens kan uit vrije wil meer goeds of kwaads in zich opnemen en door de invloed daarvan sterk worden. In het eerste geval wordt hij bijzonder deugdzaam doordat hij verbinding heeft met goddelijke deugd, en hij verhuist dan naar een bijzonder gebied. Langs een gewijde weg wordt hij naar een andere, betere plek begeleid. Maar in het tegengestelde geval keert de bestemming van zijn leven ten kwade.

“Dit is het ware gericht van de goden die de Olympos bewonen.”

O kind en jongeling, jullie denken dat de goden zich niet om u bekommeren. Weet dat je, als je slechter wordt, naar de boze geesten gaat, en als je beter bent geworden, naar de betere. In iedere opeenvolging van leven en dood ondervindt ge en doet ge wat wezens van gelijke soort elkaar moeten aandoen. Noch gij noch een ander onfortuinlijk wezen zal zich er ooit op kunnen beroemen aan dit gericht van de goden ontsnapt te zijn. Van alle gerichten die de goden hebben ingesteld, neemt dit wel een bijzondere plaats in, en men moet er volledig acht op slaan. Het zal u immers nooit over het hoofd zien, niet als ge u zo klein maakt dat ge onder het oppervlak van de aarde kunt wegduiken, en niet als ge u verheft en tot de hemel reikt. Ge zult aan de goden de prijs betalen, of ge nu hier op aarde blijft of afreist naar de Hades of naar een plek zijt gebracht die nog afschuwelijker is. Dezelfde regel die voor u geldt, zal ook gelden voor al degenen die ge van onbelangrijk belangrijk hebt zien worden door zich van god noch gebod iets aan te trekken, mensen dus van wie ge gedacht hebt dat ze zich uit de misère hebben gewerkt en gelukkig zijn geworden. Ge zag in hun handelingen het bewijs van de volstrekte onverschilligheid van de goden, dacht ge, niet wetend hoe zij alles laten samenwerken om aan het grote geheel bij te dragen. Dacht ge nu werkelijk, dapperste van alle mensen, dat ge van dit alles geen weet hoeft te hebben? Als een mens dit niet leert, zal hij zich nooit een goede indruk kunnen vormen van of een zinnig woord kunnen zeggen over wat gunstig en wat ongunstig is in het leven.

 

Uit: Plato – De Wetten – 903b–905c

 


 

Voor Plato zie: Plato

 

Voor Plato’s De Wetten (pdf file) zie: Plato - Nomoi (De Wetten)

 


 

 

footer e-mail & copyright