logo ars floreat header filosofen

 

 

 

 

Home

 

Downloads

 

Sitemap

 

next

 

Plato over Atlantis - beschrijving

 

Uit: Kritias

 

(Verhaal dat eens door priesters is verteld en dat Solon uit Egypte hierheen heeft gebracht; Kritias heeft het van zijn grootvader; die had het weer van Dropides, een vriend van Solon.)

 

Voordat ik met het verhaal begin, is er nog een korte uitleg nodig, opdat ge niet verbaasd zult zijn, wanneer er herhaaldelijk sprake is van niet–Grieken met Griekse namen. De reden hiervan zult ge nu vernemen. Toen Solon van plan was het verhaal voor zijn eigen epos te gebruiken, ontdekte hij bij zijn onderzoek naar de betekenis van de eigennamen, dat Egyptenaren die deze het eerst op schrift stelden, deze namen in hun eigen taal overgezet hadden. Hij op zijn beurt nam de oorspronkelijke betekenis van de namen weer op en schreef die weer in onze eigen taal. De oorspronkelijke geschriften waren in het bezit van mijn grootvader – en ik bewaar ze nu nog steeds – en als kind leerde ik ze alle ijverig uit het hoofd. Wanneer ge nu dezelfde namen hoort die wij Grieken ook gebruiken, weest dan niet verbaasd; ge weet er nu immers de reden van.

Het is een lang verhaal, dat ongeveer als volgt begon:
Zoals al hiervoor gezegd is, toen wij spraken over de verloting onder de goden, verdeelden deze de hele aarde in grotere en kleinere stukken en zij keken er zelf op toe dat de mensen heiligdommen voor hen oprichtten en offers brachten. Zo kreeg Poseidon dan het eiland Atlantis als zijn deel en hij huisvestte er zijn kinderen, die uit een sterfelijke vrouw geboren waren, op een plek van het eiland die er als volgt uitzag: Van de zee tot het midden van het eiland strekte zich over de gehele breedte een vlakte uit die, naar men zegt, de mooiste en meest vruchtbare van alle was. In het midden van het eiland, dichtbij die vlakte, op een afstand van ongeveer vijf stadiën*), lag een heuvel. Daar woonde een van de eerste uit aarde geboren mannen. Euenoor was zijn naam en hij woonde er samen met zijn vrouw Leukippe. Zij kregen als enig kind een dochter, Kleito genaamd. Toen dit meisje, op huwbare leeftijd, haar vader en moeder verloor, verenigde Poseidon zich met haar, omdat hij in begeerte voor haar ontstoken was.

Om de heuvel waarop zij woonde een goede afsluiting te geven, groef hij deze rondom af en legde daaromheen gordels aan, beurtelings van zee en van aarde, sommige wat breder, andere smaller. Twee waren er van aarde, drie van zeewater en alsof er een draaiende beweging was gemaakt vanuit het midden van het eiland, lagen deze gordels aan alle kanten op gelijke afstanden van het centrum, zodat het eiland ontoegankelijk was voor mensen; want in die tijd bestonden er geen schepen en was er geen zeevaart. En Poseidon richtte zelf het middelste eiland in met het gemak waarmee een god dat immers kan. Hij liet van onder de aarde twee bronnen opwellen, waarvan de ene warm en de andere koud water gaf en ook deed hij allerlei soorten voedsel in overvloed aan de aarde ontspruiten. Hij verwekte vijf paar zonen, tweelingen, en voedde hen op; en nadat hij het gehele eiland Atlantis in tien stukken had verdeeld, gaf hij aan de eerstgeborene van de oudste tweeling de moederlijke woning met het omliggende gebied, hetgeen het grootste en beste deel was; hij stelde hem aan als koning over de anderen, die hij als beheerders aanstelde en elk van hen gaf hij de heerschappij over veel mensen en een groot gebied.

Aan allen gaf hij namen; aan de oudste, die tevens koning was, gaf hij de naam Atlas, waarnaar het hele eiland en ook de zee – de Atlantische zoals wij zeggen – genoemd werd. Zijn tweelingbroer, die na hem geboren was, kreeg het uiterste deel van het eiland bij de Zuilen van Herakles toebedeeld, tegenover het gebied dat nu Gadeira genoemd wordt. Aan hem nu gaf hij de naam die in het Grieks Eumelos luidt en in de inheemse taal Gadeiros, naar wie het land genoemd is. Van het tweede tweelingpaar noemde Poseidon de oudste Ampheres en de tweede Euaimon, van het derde paar de eerste Mneseus en de later geborene Autochthon, van het vierde paar de eerstgeborene Elasippos en de tweede Mestor; en van het vijfde paar was de naam van de oudste Azaes, die van de tweede Diaprepes.

Zo woonden zijzelf en ook hun nakomelingen daar vele generaties lang en voerden de heerschappij over vele andere eilanden die in de zee verspreid lagen en ook, zoals wij reeds eerder gezegd hebben, over hen die binnen het gebied woonden dat zich uitstrekte tot aan Egypte en Etrurië.

Het geslacht van Atlas nu was talrijk en stond in hoog aanzien; het was altijd de oudste die als koning regeerde en deze gaf het koningschap steeds door aan zijn oudste zoon, zodat zij vele generaties lang de heerschappij behielden. De rijkdom die zij verwierven, was van een omvang als nooit tevoren in enig koningshuis bestond en ook later niet licht meer gevonden zal worden. Zij waren voorzien van alles wat er maar in de stad of de rest van het land nodig was voor hun onderhoud. Want wegens hun overheersende positie hadden zij de beschikking over vele ingevoerde goederen en tevens voorzag het eiland zelf hen van de meeste levensbehoeften. Vooreerst waren er delfstoffen, de harde en zachtere soorten en ook orichalcum, een stof die wij nu alleen van naam kennen, maar die toen meer dan alleen een naam was en die op vele plaatsen van het eiland werd gewonnen. Het was na goud het kostbaarste van de toen bekende metalen. En de bossen op het eiland verstrekten in overvloed het benodigde hout voor timmerlieden, terwijl het eiland ook het nodige voedsel zowel aan de wilde als aan de tamme dieren verschafte. Verder herbergde het eiland zeer grote kudden olifanten; want er was niet alleen overvloedig voedsel aanwezig voor alle dieren die zich voeden in moerassen, meren en rivieren en die grazen op de berghellingen of in de laagvlakte, maar ook voor dit dier, dat van nature het grootst is en het meeste voedsel verorbert. Daarenboven groeide en bloeide er al wat de aarde ook nu aan welriekende stoffen voortbrengt, afkomstig van wortels, jong groen, bomen, sap van de bast, de bloesems en de vruchten. Voorts waren er de veldvruchten die gekweekt kunnen worden: de droge soorten, die ons tot voedsel dienen en die wij gebruiken vanwege hun voedzaamheid (wij kennen ze onder de naam ‘peulvruchten’); dan de vruchten met een harde bolster die dranken, spijzen en oliën leveren; de vruchten uit de boomgaard die moeilijk bewaard kunnen worden en geteeld worden uit liefhebberij en voor het genoegen en die wij als lichte en welkome naspijs voorzetten aan een oververzadigde disgenoot – dat alles bracht in die tijd dat zonovergoten eiland voort, dat leven schonk aan allen, fraai en wonderlijk mooi was en oneindig in zijn overvloed. Met al die voortbrengselen van de aarde bouwden zij hun tempels en paleizen, de havens en de scheepswerven.

De overige delen van het land richtten zij in op de volgende wijze: Allereerst maakten zij bruggen over de gordels van zeewater die rondom de oude hoofdstad lagen, waarover een weg aangelegd werd van en naar het koninklijk paleis. Vanaf het eerste begin bouwden zij het paleis op de plaats waar de godheid en hun voorvaderen woonden en het ging van de een op de ander over. Door het te blijven verfraaien, overtrof de heersende koning steeds zijn voorganger zoveel hij kon, totdat een paleis was geschapen dat door zijn omvang en schoonheid oogverblindend was.

Vanaf de zee groeven zij een kanaal, driehonderd voet breed, honderd voet diep en vijftig stadiën lang tot de buitenste landring. Aldus maakten zij een toegang van zee uit daarheen, zodat een haven ontstond, en zij lieten de monding wijd genoeg om met de grootste schepen binnen te kunnen varen. Bovendien doorgroeven zij telkens parallel aan de bruggen de stroken land die de zeegordels scheidden, daarbij ruimte latend voor een trireem (roeischip), om naar de andere stroken te varen en zij voorzagen het kanaal van een overkapping, zodat de doorvaart ondergronds liep, want de oevers van de landstroken lagen voldoende boven zeepeil. De grootste landstrook waardoor het kanaal naar de zee gegraven was, was drie stadiën breed en de daaropvolgende landstrook was daaraan gelijk. De breedte van de beide volgende stroken, die van water en die van droog land, was elk twee stadiën. De watergordel die in het midden om het eiland zelf heen liep, was een stadium breed. Het eiland waar het paleis stond, had een doorsnede van vijf stadiën.

Rondom het geheel en ook rondom de binnenste landstroken, samen met het kanaal en de brug die een breedte had van honderd voet, legden zij stenen muren aan. Verder bouwden zij torens en poorten aan weerszijden van de bruggen bij de uitgang naar de zee. De steen wonnen zij uit groeven die zich zowel in het midden op het eiland bevonden als op de twee andere landstroken; de kleur ervan was wit, zwart en rood. Hiermee spaarden zij tegelijkertijd een ruimte uit voor dubbele scheepsdokken die door de rots zelf overdekt waren. Sommige van de gebouwen trokken zij in één enkele kleur op; voor andere maakten zij een veelkleurig patroon door de verschillende stenen afwisselend te gebruiken, om het geheel een wat speelser aanzien te geven. Zo was de harmonie van de gebouwen een lust voor het oog. De muur die rondom de buitenste gordel liep, bedekten zij met koper door het als een soort pleisterwerk te gebruiken; de muur rondom de binnenste gordel bedekten zij met tin en die rondom de Akropolis zelf met orichalcum, dat schitterde als vuur.

Het koninklijk paleis binnen de Akropolis was als volgt gebouwd: In het midden en apart stond een heiligdom op gewijde grond, dat toebehoorde aan Kleito en Poseidon. Eromheen was een muur van goud opgetrokken, daar lang geleden op die plaats de tien koningsgeslachten verwekt en gebaard werden. Ook werden daar jaarlijks uit het aandeel van elk van de tien geslachten de vruchten van het jaargetijde gebracht die men de stamvaders als wijgeschenk verschuldigd was. De tempel van Poseidon zelf was zeshonderd voet lang en driehonderd voet breed en de hoogte was daarmee in overeenstemming; hij maakte een enigszins uitheemse indruk. De tempel was aan de buitenkant geheel met zilver bekleed, de kantelen echter met goud. Wat het interieur betreft, de ivoren zoldering toonde een rijke schakering aan goud, zilver en orichalcum. Verder waren alle muren, zuilen en vloeren bedekt met orichalcum. Zij hadden er gouden beelden geplaatst. Een ervan was de God staande op een wagen als menner van zes gevleugelde paarden. Het beeld zelf was zo groot dat het bijna de zoldering raakte. Er waren honderd Nereïden op dolfijnen in een kring omheen geplaatst, want in die tijd meende men dat dat hun aantal was. De tempel bevatte nog andere beelden als wijgeschenk van burgers. Buiten stonden om de tempel heen gouden standbeelden van alle koningen die van de eerste tien afstamden, met hun vrouwen. Verder waren er vele grote wijgeschenken van koningen en van burgers, niet alleen uit de staat zelf, maar ook uit gebieden daarbuiten waarover hun heerschappij zich uitstrekte. Het altaar was hier, wat grootte en uitvoering betreft, geheel op afgestemd en tevens stemde het koninklijk paleis overeen met de grootsheid van het rijk en de luister van de tempels. Er waren talrijke en overvloedige bronnen, zowel koude als warme, en elk van deze stromen was wonderwel geschikt voor gebruik door zijn aangename smaak en uitgelezen eigenschappen. Men plaatste er gebouwen omheen en legde beplanting aan van bomen die bij het water groeien, met daaromheen spaarbekkens, sommige in de open lucht, andere overdekt, om ’s winters een warm bad te kunnen nemen; er waren afzonderlijke baden voor de koningin, de burgers en de vrouwen, terwijl er weer andere waren voor de paarden en de overige lastdieren, waarbij elk bad ingericht was naar gelang van zijn bestemming.

Het uitstromende water leidden zij naar het aan Poseidon gewijde woud, waar vele soorten bomen stonden, opmerkelijk van pracht en hoogte door de rijkdom van de bodem. En via aquaducten langs de bruggen brachten zij water naar de buitenste landstroken. Daar, op elk van de ringvormige eilanden, had men vele tempels voor talrijke andere goden aangelegd en ook tuinen en oefenterreinen voor de mannen en aparte voor de paarden. In het midden van het grootste eiland hadden zij een terrein van een stadium breed bestemd als renbaan. Voor het houden van wedstrijden met paarden gebruikten zij de gehele omtrek van het eiland. Rondom dit alles stonden overal de wachthuizen van het merendeel der lansdragers, terwijl de meer betrouwbaren onder hen de taak hadden de kleinste landring, die ook dichter bij de Akropolis lag, te bewaken. Aan allen die uitmuntten in trouw, werden verblijven binnen de Akropolis gegeven in de buurt van de koningen zelf. De scheepswerven lagen vol met triremen en wat daar verder bij hoorde en zij waren voortreffelijk uitgerust.

Zo was de situatie rond de woonplaats van de koningen. Wanneer men door de drie havens heen naar buiten voer, trof men daaromheen, beginnend bij de zee, een muur aan, overal op een afstand van vijftig stadiën vanaf de grootste landring en de haven. De uiteinden daarvan kwamen samen bij de monding van het kanaal naar zee. Dit hele gebied was dicht bebouwd met huizen; de aanlegplaats en de grootste haven lagen vol vrachtschepen en kooplieden die uit alle windstreken kwamen. Door hun grote aantal veroorzaakten zij dag en nacht een voortdurend geschreeuw, lawaai en gestamp.

Wij hebben nu genoeg herinneringen opgehaald over de stad en de omgeving van die allereerste woonsteden, zoals de overlevering haar beschreven heeft. Nu zal ik proberen te vertellen hoe de natuurlijke gesteldheid en de indeling van de rest van het land waren.

Allereerst was het hele gebied, naar men zegt, zeer hoog en het rees steil op uit zee, maar om de hele stad heen lag een vlakte die haar omsloot en rondom weer begrensd werd door bergen die tot aan de zee reikten. Dit gebied was vlak en effen en vormde een rechthoek waarvan de lengte drieduizend stadiën was en de breedte, gerekend vanuit zee, tweeduizend. Deze streek van het eiland was naar het zuiden gekeerd en tegen de noordenwind beschermd. De bergen daaromheen werden in die tijd geroemd om hun aantal, grootte en onvergelijkelijke schoonheid. Er waren vele welvarende dorpen met hun bewoners en er waren rivieren, meren en velden, die ruim voldoende voedsel boden aan alle tamme en wilde dieren. En voor alle mogelijke toepassingen waren er verschillende houtsoorten in overvloed.

Deze vlakte was door haar natuurlijke gesteldheid en de inspanning van vele koningen in de loop der tijden als volgt gevormd: Oorspronkelijk was het gebied vierhoekig, had het bijna overal rechte zijden en waar dat niet het geval was, werd het recht gemaakt door er een gracht omheen te graven. Deze gracht had, volgens het verhaal, een diepte, breedte en lengte die haast ongelooflijk schijnen, in aanmerking genomen dat zij met de hand gegraven was met al het bijkomende zware werk. Wij moeten echter vertellen wat wij gehoord hebben: de gracht was gegraven tot een diepte van een plethrum, een stadium breed, en daar zij om de gehele vlakte heen liep, bedroeg de lengte tienduizend stadiën. Het water dat van de bergen naar beneden stroomde, werd hierin opgevangen en werd erdoor rond de gehele vlakte geleid en bereikte van twee kanten de stad. Vandaar stroomde het water vrijelijk naar de zee. Aan de kant van het binnenland werd de vlakte vanuit de gracht doorsneden door rechte kanalen van ongeveer honderd voet breedte, die op een afstand van honderd stadiën van elkaar lagen en zij kwamen weer uit in de gracht aan de kant van de zee. Door middel van dit waterwegstelsel brachten de bewoners het hout uit de bergen naar de stad beneden en zij vervoerden de seizoenprodukten in boten door dwarsverbindingen die zij van het ene kanaal naar het andere en ook naar de stad hadden gegraven. Tweemaal per jaar werd de oogst binnengehaald; ’s winters benutte men de regen uit de hemel en ’s zomers het water uit de aarde voor bevloeiing vanuit de waterwegen.

Wat de bevolking betreft: het was voorschrift dat ieder district één van de strijdbare mannen als leider moest voortbrengen. Ieder district had een oppervlakte van tien maal tien stadiën en het totaal aantal districten bedroeg zestigduizend. Volgens de overlevering was de bevolking zowel in de bergen als in de rest van het land niet te tellen. Iedereen was ingedeeld overeenkomstig zijn streek en dorp en toegewezen aan dat district met zijn aanvoerder. Elke leider was verplicht in geval van oorlog éénzesde deel van de uitrusting van een strijdwagen te leveren, zodat er tienduizend strijdwagens waren; bovendien moest hij voor twee paarden met hun berijders zorgen, tevens voor een span paarden zonder strijdwagen, maar met een krijgsman die een klein schild voerde en tijdens de strijd afsteeg, en ook een medestrijder, die de beide paarden mende. Daarbij nog twee hoplieten (zwaar bewapende infanteristen), twee boogschutters, twee slingeraars, drie lichtgewapende steenwerpers, drie speerwerpers en ten slotte vier zeelieden als bijdrage voor de bemanning voor twaalfhonderd schepen. Zo was de oorlogsorganisatie van de koningsstad. Die van de andere gebieden waren alle weer verschillend; om die te bespreken zou een lange tijd vergen.

De inrichting van de regering en van de magistratuur was van het begin af aan als volgt geregeld: Elk van de tien koningen had in zijn eigen gebied en stad de macht over de mensen en in de meeste gevallen de wetten, zodat hij kon straffen en doden wie hij wilde. Maar hun onderlinge gezagsverhoudingen en wederzijdse betrekkingen waren geregeld volgens de voorschriften van Poseidon. Deze waren door de traditie tot hen gekomen en door de eerste koningen neergeschreven op een zuil van orichalcum, die in de tempel van Poseidon midden op het eiland stond. Hier kwamen zij afwisselend om de vijf en om de zes jaar samen, want zij hechtten evenveel waarde aan even als aan oneven getallen. Dan beraadslaagden zij over staatszaken, onderzochten of iemand de wet had overtreden en spraken recht. Maar voordat zij recht gingen spreken, gaven zij elkaar eerst een bewijs van hun trouw op de volgende wijze:

In het heiligdom van Poseidon liep een aantal stieren vrij rond en wanneer de koningen daar met hun tienen alleen waren, baden zij eerst tot de god dat zij een stier mochten vangen die hem als offer welgevallig was. Vervolgens maakten zij jacht op de stieren zonder ijzeren wapens, maar met knuppels en netten en de stier die zij vingen, legden zij op de zuil en sneden hem dan de keel af, zodat het bloed van bovenaf over de inscriptie omlaag vloeide. Aan de wetten op de zuil was ook een eed toegevoegd die zware straffen oplegde aan de ongehoorzamen. Wanneer de stier dan volgens hun ritueel gedood was, offerden zij al zijn ledematen in het vuur en tijdens het vullen van een mengvat met wijn goten zij er voor ieder een scheut bloed bij; na de zuil vervolgens aan alle zijden gereinigd te hebben, verbrandden zij de rest van het offerdier. Vervolgens schepten zij de wijn met gouden drinkschalen uit het mengvat en onder het plengen boven het vuur zwoeren zij recht te zullen spreken volgens de wetten op de zuil en al wie op enigerlei wijze tevoren in overtreding was geweest, te zullen straffen. Daarna zwoeren zij ook geen van de voorschriften uit vrije wil te zullen overtreden, noch zelf te zullen regeren of een heerser te gehoorzamen anders dan in overeenstemming met de wetten van hun voorvaderen. Nadat ieder van hen die eed uitgesproken had, zowel voor zichzelf als voor zijn nakomelingen, dronken zij de schaal leeg en zetten die als wijgeschenk in de tempel van de godheid. Vervolgens wijdden zij zich aan de maaltijd en wat daarna nog noodzakelijk was. Wanneer het donker was geworden en het vuur uitging, hulden zij zich allen in zeer fraaie, azuurblauwe mantels en zaten, nadat zij zelf het offervuur hadden gedoofd, de gehele nacht bij de gloeiende as van de offerdieren. Daar spraken zij recht en werden zij berecht, wanneer iemand van hen de ander beschuldigde van de een of andere overtreding. Dan deden zij uitspraak en schreven zij, zodra de dageraad aanbrak, het vonnis op een gouden tafel en deze bestemden zij, samen met hun gewaden, tot wijgeschenk en gedenkteken.

Er waren nog vele andere bijzondere wetten over de voorrechten van de verschillende koningen; de belangrijkste daarvan waren: dat zij nooit elkaars wapenen te vrezen zouden hebben en dat alle steden te hulp zouden komen in het geval dat enige stam onder hen zou proberen het koninklijk gezag in een stad te ondermijnen; voorts dat zij, evenals hun voorouders, gemeenschappelijk zouden beraadslagen over hun beslissingen met betrekking tot oorlog en andere ondernemingen, waarbij de leiding zou berusten bij het geslacht van Atlas, en dat de koning nooit gemachtigd zou zijn om een van zijn bloedverwanten ter dood te brengen, tenzij met instemming van de meerderheid der tien prinsen.

Van dien aard en omvang was de macht die de godheid destijds aan die gebieden gaf en het was die macht die hij volgens de overlevering tegen het gebied waar wij wonen in het geweer bracht en wel om de volgende reden:

Gedurende vele generaties, zolang hun goddelijke aard nog voldoende kracht had, onderwierpen zij zich aan de wetten en waren zij in hun hart geneigd zich naar hun goddelijke afkomst te schikken. Want hun hart was in alle opzichten gericht op waarheid en edelmoedigheid, en zij stonden zachtmoedig en wijs tegenover elkaar in de altijd wisselende omstandigheden. Daarom lieten zij zich niet in de war brengen door omstandigheden die zij gering achtten, maar lieten zich alleen leiden door het verlangen naar ware deugd. Bovendien hechtten zij weinig waarde aan het bezit van goud en andere goederen, maar beschouwden het eerder als een last. Zij werden niet dronken van weelde noch beroofde rijkdom hen van zelfbeheersing, neen, met hun gevoel voor maat zagen zij scherp in, dat al deze goederen vermeerderd worden door liefde onder elkaar die gepaard gaat aan deugd, maar dat het najagen en vereren ervan deze rijkdom juist verloren doet gaan en daarmee ook de deugd doet verdwijnen. Zo kwam het dat zij door deze houding en omdat hun goddelijke natuur hen niet verliet, al hun rijkdom vermeerderden, zoals wij hiervoor beschreven hebben.

Maar toen het goddelijke deel in hen aan kracht begon in te boeten, doordat zij meer sterfelijke eigenschappen kregen, zich vaker met het sterfelijke inlieten en hun menselijke aard de overhand kreeg, waren zij niet meer in staat hun weelde te dragen en verloren zij hun goddelijkheid. In de ogen van hen die konden zien, werden zij lelijk, want zij hadden de schoonste van hun kostbare eigenschappen verwaarloosd; maar diegenen die, doordat zij vervuld waren van onrechtmatige hebzucht en macht, geen oog hadden voor een waarheidlievend en gelukzalig leven, achtten hen juist zeer schoon en zeer gelukkig.

En toen Zeus, de God der goden, die naar de wet regeert en bij machte is zulke dingen te zien, bemerkte dat dit ingetogen geslacht tot een minderwaardige staat was vervallen, wilde hij hun een straf opleggen, opdat zij zich zouden matigen en tot bezinning komen. Hij riep dus alle goden bijeen naar de verblijfplaats die door hen het meest geprezen wordt, in het midden van het hele universum gevestigd is en op alle dingen uitziet die geschapen zijn; en nadat hij hen bijeengeroepen had, sprak hij als volgt:

 

– – –  abrupt einde  – – –

 

*) Een stadium is ongeveer 180 m, een voet ongeveer 30 cm.

 

Uit: Platoon Verzameld Werk – deel 4

 


 

Voor Atlantis zie: Atlantis

 

Voor Plato zie: Plato

 


 

 

footer e-mail & copyright